Vlaams parlementslid en onderneemster Grete Remen (N-VA) deed vorige week vrijdag – blijkbaar enkel in eigen naam – in verschillende media een merkwaardige uithaal naar de zelfstandigen in bijberoep. Dat statuut moet volgens haar beperkt worden in de tijd (tot maximum 2 jaar). Zelfstandigen in bijberoep zouden de ͚echte͛ zelfstandigen immers oneerlijke concurrentie aandoen, onder meer omdat ze minder sociale bijdragen moeten betalen. Een boude uitspraak, die toch wel wat nuances verdient.

Zelfstandigen in bijberoep betalen inderdaad minder sociale bijdragen, maar dat wil niet zeggen dat ze er helemaal geen betalen. Dat is al een eerste belangrijke nuance, want zelfstandigen in bijberoep betalen sociale bijdragen voor fondsen waar ze helemaal geen rechten uit puren. Ze leveren op die manier dus een bijdrage aan het solidariteitssysteem van onze samenleving zonder voor dat specifieke gedeelte iets terug te krijgen. Ze spijzen met hun sociale bijdragen op de eerste plaats zelfs het socialezekerheidsstelsel van de zelfstandigen en leveren dus wel degelijk ook een bijdrage aan het sociale vangnet van hun collega-zelfstandigen.

Bovendien verhogen die sociale bijdragen naarmate hun inkomsten uit het bijberoep verhogen, zonder daar nu (in tijden van ziekte) of later (pensioenrechten) enig voordeel uit te kunnen halen. Ze hebben inderdaad sociale rechten (pensioen, gezondheidszorg, kinderbijslag, …) uit hun hoofdberoep, maar dat hoofdberoep is voor vele bijberoepers niet voor de volle 100% hun hoofdberoep. Daardoor bouwen ze dus geen volledige sociale rechten op in hun hoofdberoep. Het is immers niet zo dat bijberoepers enkel zelfstandige zijn ͞na hun uren͟, zoals gesuggereerd werd in krantenartikels waarin mevrouw Remen het woord kreeg. Je bent officieel zelfstandige in bijberoep als je je hoofdberoep voor minstens 50% uitoefent (bij een vaste benoeming in het onderwijs ligt de grens zelfs op 60%). Je kunt in principe je hoofdberoep voor 100% blijven uitoefenen en daarnaast als zelfstandige in bijberoep werken, maar dan zal er van concurrentie ten opzichte van de zelfstandigen in hoofdberoep toch maar bitter weinig in huis komen. Dat relativeert meteen de opmerking dat bijberoepers oneerlijke concurrentie zouden zijn voor de zelfstandigen in hoofdberoep. De kwaliteit van de dienstverlening is voor vele klanten minstens even belangrijk als de prijs. Tot die kwaliteit behoort ook een snelle service en beschikbaarheid, iets wat in bijberoep vaak minder makkelijk mogelijk is.

Een mogelijke oneerlijke concurrentie door lagere tarieven mag zeker ook niet exclusief in de schoenen van sommige bijberoepers worden geschoven. Eén op de vier freelancers klaagt volgens een enquête van UNIZO uit 2017 over het feit dat opdrachtgevers steeds lagere tarieven eisen. Op dat vlak ligt de bal dus niet alleen in het kamp van hoofd- of bijberoepers. Ook grotere bedrijven bezondigen zich soms aan een race to the bottom.

Eigen tempo

Het is merkwaardig dat er in tijden waarin er vanuit alle mogelijke hoeken wordt aangedrongen op een grotere ondernemingsgeest in Vlaanderen, dergelijke uitspraken worden gedaan. Het statuut van zelfstandige in bijberoep is de beste springplank naar de uitbouw van een carrière als zelfstandige, in hoofd- óf bijberoep. De zelfstandigen in bijberoep zijn vaak eenmanszaken en dus freelancers. Ook freelancers die een vennootschap hebben, werken zonder personeel. Zij maken vaak een bewuste keuze voor het bestaan van zelfstandige, dikwijls in creatieve sectoren. Die bewuste keuze heeft onder meer te maken met het feit dat er in bepaalde sectoren bewust voor geopteerd wordt om sommige jobs hoofdzakelijk door freelancers te laten uitvoeren, bijvoorbeeld door de tijdelijkheid van de opdracht.

Maar die bewuste keuze heeft nog meer te maken met een grote vrijheidsdrang van de freelancers: veel mensen willen vandaag hun eigen baas zijn, zo merkt mevrouw Remen terecht op, en die drijfveer blijft een constante in het bestaan van de zelfstandige. Als het bijberoep zou beperkt worden in de tijd, zou dat heel wat freelancers in een keurslijf dwingen waar ze niet langer willen in zitten. Ze zouden vanaf dag 1 van het zelfstandigenbestaan geconfronteerd worden met de druk om binnen de 2 jaar te moeten beslissen en dus op die korte tijd al volwaardig moeten kunnen leven van hun zelfstandige activiteit. Die druk staat haaks op de manier waarop vele bijberoepers vandaag de dag evolueren: een geleidelijke groei op eigen tempo, een groei die bovendien heel vaak uitmondt in een volledig zelfstandig statuut.

Het zou alleen maar averechtse effecten creëren als mensen gedwongen zouden zijn om die groei in een beperkte tijd te moeten realiseren. Dan zou het aantal bijberoepers inderdaad dalen, zoals mevr. Remen blijkbaar graag wil, maar dan zou ook het aantal ͚gewone͛ zelfstandigen nog sterker dalen. Volgens de eerder vermelde enquête van UNIZO is vooral de opstartfase de periode waarin veel freelancers (in hoofd- én bijberoep) aangeven dat ze te weinig verdienen. Maar liefst 60% van de startende freelancers vond dat het inkomen te laag lag. Minimumtarieven in sommige sectoren is een veel belangrijker maatregel dan het aantal bijberoepers beperken.

Als je dan maar 2 jaar krijgt om een redelijk negatieve ervaring op het vlak van inkomen op te krikken, weet je nu al dat er velen zullen afhaken en zullen er op de duur ook steeds minder mensen de sprong wagen. Vele zelfstandigen hebben minstens 5 jaar nodig om hun activiteit definitief te lanceren. De steunmaatregelen in de tax shelter voor startende ondernemingen die door de partij van mevrouw Remen mee goedgekeurd werd, hebben vaak een looptijd van 4 jaar. Wie daarnaast nog een ander beroep uitoefent of verplichtingen heeft tegenover een werkgever, heeft zeker die tijd nodig. Kortom, gun de zelfstandige in bijberoep de vrijheid om te groeien op eigen tempo, want een rem op de zelfstandige in bijberoep is een rem op het ondernemerschap in Vlaanderen.